De Middeleeuwen & muziek
Lang werden de middeleeuwen weggezet als ‘de eeuwen tussen de oudheid en de renaissance’. Onterecht: deze periode bracht prachtige kathedralen, het gregoriaans en de eerste meerstemmige muziek voort. Hier leer je de cultuurhistorie, de muziekbegrippen en de instrumenten, en luister je naar voorbeelden.
Een stukje hemel op aarde
Romaans en gotisch bouwen
Romaans (± 1000–1150): dikke muren, ronde bogen, kleine ramen. Kerken zijn stevig, donker en gesloten, een ‘burcht van God’.
Gotisch (± 1150–1400): met spitsbogen, steunberen en luchtbogen konden bouwers zo hoog mogelijk bouwen, bijna tot aan de hemel. Grote, kleurrijke glas-in-loodramen en roosvensters laten veel licht binnen. Men wilde een stukje hemel op aarde creëren.
God en de kerk staan centraal
Het geloof en de kerk speelden een enorme rol in het leven van de middeleeuwse mens. Je moest een goed leven leiden, anders kon je je plekje in de hemel wel vergeten.
Die centrale rol van God zie je terug in alle kunstvormen: beeldende kunst, theater en muziek. Kunst werd vooral gemaakt om God te eren en om de bevolking de christelijke leer te onderwijzen. Tegen het einde van de middeleeuwen werden de kunsten steeds minder sober.
Wist je dat…
- de middeleeuwse maatschappij was ingedeeld in drie standen: de geestelijken (1e), de adel (2e) en de boeren (3e)?
- de pest, ook wel de Zwarte Dood genoemd, enorm veel slachtoffers maakte? Rond 1350 stierf een groot deel van de Europese bevolking.
- de wetenschap in handen van de kerk was?
- alleen de geestelijken konden lezen en schrijven? Daarom is er veel meer kerkmuziek bewaard gebleven.
- kunstenaars in de middeleeuwen meestal anoniem bleven? Het ging immers om God, niet om de maker.
Geestelijke en wereldlijke muziek
In de kloosters en kerken klonk geestelijke muziek, aan het hof kunstliederen en op dorpsfeesten volksmuziek. Kunstliederen en volksliederen vallen samen onder de wereldlijke muziek.
⛪ Kerk & klooster
Gregoriaans, gezongen door monniken.
- Eenstemmig en a capella
- In het Latijn
- Om God te eren
- Op schrift gezet in neumen
🏰 Aan het hof
Kunstliederen van geoefende troubadours en minstrelen.
- Hoofse liefde, ridders, maar ook politiek
- Groter bereik, geschoolde stem
- Begeleid door luit, portatief, harp, vedel
🎪 Dorp, plein & markt
Volksmuziek, gespeeld door speelmannen.
- Vrolijke, eenvoudige dansmuziek
- Iedereen kan meedoen
- Luit, blokfluit, trommels
Muziek van adel, burgerij en boeren
Halverwege de middeleeuwen (± 600–1000) lijkt het alsof muziek bijna alleen voor de geestelijken (de 1e stand) was. Dat klopt natuurlijk niet: in Dorestad, een belangrijke handelsplaats, zijn bijvoorbeeld fluiten gevonden.
Maar de adel (2e stand) en de boeren (3e stand) konden amper schrijven. Daardoor zijn er weinig bronnen over hún muziek. De boeren waren bovendien erg arm, dus muziek had voor hen weinig prioriteit.
Waarom pas na het jaar 1000?
Na het jaar 1000 verschenen er speelmannen, troubadours, minstrelen, vaganten en stadspeellieden in de steden en kastelen. Het onderscheid was niet altijd duidelijk, maar troubadours en minstrelen waren wat ‘beschaafder’ dan speelmannen en vaganten.
Samengevat: muziek die opgeschreven werd (door geestelijken) bleef bewaard. Muziek die alleen mondeling werd doorgegeven, ging grotendeels verloren.
Instrumenten uit de middeleeuwen
Veel instrumenten van nu vinden hun oorsprong in de middeleeuwen en werden steeds verder ontwikkeld. Klik op ▶ Beluister om een echte opname van het instrument te horen (en vaak ook te zien). Onder elke opname staat wie hem gemaakt heeft.
Luistervoorbeelden
Het gregoriaans
Paus Gregorius de Grote
Paus Gregorius I (paus van 590 tot 604) bracht ordening aan in de vele kerkelijke gezangen. Naar hem is de geestelijke muziek uit die tijd vernoemd: het gregoriaans.
Hij werd meestal afgebeeld met een duif op zijn schouder. Volgens de legende kreeg Gregorius zijn wijsheden (en de melodieën) ingefluisterd door de Heilige Geest, in de gedaante van die duif.
Ontstaan en verspreiding
Gregoriaanse muziek ontstond uit de gezangen en liturgieën van de vroegchristelijke kerk en omvat zo’n 3000 liederen. Karel de Grote werkte samen met de kerk in Rome, bevorderde overal in zijn rijk het gregoriaans en verbood andere soorten kerkgezang. Rond 800 werd het gregoriaans steeds succesvoller.
De liederen hadden een vaste plek in de liturgie (de vaste volgorde van onderdelen in een eredienst). De eredienst van de katholieke kerk heet de mis. Er zijn vaste teksten (het ordinarium) en wisselende teksten (het proprium).
Waarom geen instrumenten?
Het gregoriaans moest de ziel verheffen en het geloof ondersteunen. Wat daarvan kon afleiden, werd vermeden. In de kerk klonk dus geen instrumentale muziek, want dat was muziek van de ‘heidense, verdorven’ Grieken en Romeinen.
Bovendien was de stem het instrument dat je van God had gekregen en dat dus het dichtst bij God stond. Zonder instrumenten was het woord van God goed te verstaan. Begrijpen was iets anders: men zong in het Latijn, de taal van de kerk, niet van het volk. Vrouwen zongen niet mee.
Neumen: vierkante notatie op een notenbalk van 4 lijnen. Je kunt er niet aan aflezen hoe lang een toon duurt.
Kenmerken van het gregoriaans
Syllabisch of melismatisch?
Gregoriaans in onze tijd
Vandaag de dag wordt het gregoriaans nog steeds gezongen. De rustgevende, bijna meditatieve klanken worden door velen gewaardeerd, en je hoort gregoriaanse invloeden zelfs terug in populaire muziek. Kerktoonladders worden ook in de jazz gebruikt om te improviseren.
Bourdon en orgelpunt
Bourdonbegeleiding
Een veelgebruikte begeleiding: de melodie wordt begeleid door een lang aangehouden toon in de bas, de grondtoon, of de grondtoon + kwint (bijvoorbeeld D + A). Denk aan de doedelzak en de draailier: die hebben aparte bourdonpijpen of -snaren.
Orgelpunt
Een begeleidingsfiguur waarbij één enkele, lang aangehouden toon in de begeleiding klinkt. Daaromheen kunnen de andere stemmen zich vrij bewegen. Het verschil met de bourdon: bij een orgelpunt is het één toon, bij een bourdon vaak grondtoon én kwint, die het hele stuk doorklinken.
Van organum naar meerstemmigheid
De westerse meerstemmigheid ontstond in de middeleeuwen. Het begon met het parallel organum (9e eeuw): de oorspronkelijke gregoriaanse melodie werd gedubbeld door een onder- of bovenstem.
Parallel organum
Twee stemmen bewegen parallel in kwarten, kwinten of octaven. Deze reine intervallen werden als hemelse klanken ervaren.
Zwevend organum
De tweede stem blijft niet strikt parallel: de stemmen beginnen soms samen en ‘zweven’ dan uit elkaar naar het reine interval.
Vrij organum
De stemmen bewegen zowel parallel als in tegenbeweging ten opzichte van elkaar.
Melismatisch organum
De oorspronkelijke melodie zingt lange tonen; de tweede stem zingt daarboven melismen (meerdere tonen per lettergreep).
Volkslied, kunstlied en speelmannen
Troubadours
Kwamen oorspronkelijk uit Zuid-Frankrijk, de Provence. Zingen en dichten keken ze af van hun Spaans-Moorse buren: in 711 kwamen de Moren naar Spanje, met fluiten, trommels en de ‘guitarra morisca’ (later de Spaanse gitaar).
Troubadours zongen over de hoofse liefde, maar ook over politiek en ethiek. Ze waren populair bij de adel en konden zelf van adel zijn. In Duitstalige gebieden heetten ze Minnesänger, in Noord-Frankrijk trouvères.
Kunstlied (chanson)
Hofmuziek gebaseerd op een gedicht, vaak over de liefde voor een onbereikbare vrouw. Eenstemmig, maar met een moeilijkere melodie met een groter bereik: daar hoort een geschoolde stem bij. Ook de teksten zijn complexer en hoogstaander.
Begeleiding: luit, portatief, harp en vedel (de voorloper van de viool).
Volkslied
Eenvoudig te zingen, algemeen bekend en mondeling doorgegeven. Gaat over alledaagse dingen (liefdesliederen, drinkliederen) of over historische gebeurtenissen (ballades). Ontstond vaak al improviserend, bijvoorbeeld in de kroeg, waar iedereen meezong.
Voorbeeld: de ‘Ballade van de koningskinderen’.
Speelmannen en de estampie
Speelmannen speelden op feesten, pleinen, markten en bruiloften. Ze hadden ook andere ‘kunsten’ in huis, zoals jongleren en goochelen. Dansmuziek was erg in trek. Een bekende dans was de estampie: een dans waarop je heerlijk kon ‘stampen’. Later groeide die dansmuziek uit tot een instrumentale compositie.
Speelmannen bespeelden de luit, blaasinstrumenten zoals de blokfluit en trommels.
HAVO: kernbegrippen Middeleeuwen
Dit zijn de begrippen uit je leerlijst ‘Samengevat 4B Middeleeuwen verdiept’ en ‘Muziektheorie algemeen’. Ken ze uit je hoofd én kun ze herkennen als je muziek hoort.
Herkenningstabel: wat hoor je?
| Wat hoor je? | Typische kenmerken | Dan is het… |
|---|---|---|
| Mannenstemmen, één melodie, Latijn, geen instrumenten | Eenstemmig, a capella, vrije ritmiek zonder duidelijke puls | Gregoriaans (geestelijke muziek) |
| Eén melodie met daaronder een lang aangehouden lage toon (en kwint) | Doorklinkende grondtoon / grondtoon + kwint | Bourdonbegeleiding |
| Eén lange toon, andere stemmen bewegen vrij | Eén enkele aangehouden toon | Orgelpunt |
| Twee stemmen die precies ‘meelopen’ op een kwart/kwint afstand | Parallelle beweging, reine intervallen | Parallel organum |
| Eén stem omhoog terwijl de andere omlaag gaat | Stemmen bewegen naar elkaar toe / uit elkaar | Tegenbeweging |
| Gelijkwaardige stemmen met elk een eigen ritme | Meerstemmig, ritmisch onafhankelijk | Polyfonie |
| Geschoolde solostem, moeilijke melodie, gaat over liefde | Eenstemmig, groot bereik, hoofse liefde, luit/harp | Kunstlied (troubadour) |
| Simpel meezingliedje, iedereen doet mee | Eenvoudige melodie en structuur, alledaags onderwerp | Volkslied |
| Stampende dansmuziek met trom, schalmei, doedelzak | Instrumentaal, bourdon of ritmische begeleiding | Estampie (speelmannen) |
| Veel tonen op één lettergreep | Lange slingers van tonen | Melismatisch |
HAVO kennischeck
VWO: verdieping Middeleeuwen
Cantus firmus: de ‘sterke stem’
Cantus firmus betekent ‘sterke stem’ (vaste zang). Het is de hoofdmelodie: een bestaande melodie, vaak een gregoriaans gezang, die als fundament dient voor een meerstemmige compositie.
Bij de cantus-firmustechniek zingt een stem de bestaande melodie in lange tonen, terwijl één of meer andere stemmen er nieuwe, vaak melismatische melodieën omheen weven. Dat zag je al bij het melismatisch organum.
Pérotin: Viderunt omnes (± 1198)
Een vierstemmig organum van Pérotin, componist aan de Notre-Dame in Parijs. De onderste stem zingt het begin van het gregoriaanse gezang Viderunt omnes, maar dan in extreem lange tonen: dat is de cantus firmus. Al op de eerste lettergreep ‘Vi-’ blijft die stem heel lang op één toon liggen.
Daarboven zingen drie nieuwe stemmen snelle, dansende melismen in een vast ritme.
De mis: ordinarium en proprium
De mis is (de muziek bij) de katholieke eredienst. Componisten zetten door de eeuwen heen vooral de vaste gezangen op muziek.
Ordinarium: de vaste gezangen (elke mis dezelfde tekst)
Grieks i.p.v. Latijn! Drieledig: Kyrie – Christe – Kyrie eleison.
Feestelijke lofzang met veel tekst.
De geloofsbelijdenis: de langste tekst.
Met het juichende ‘Hosanna’.
Smeekbede, eindigt met ‘dona nobis pacem’.
Proprium: de wisselende gezangen
De teksten van het proprium wisselen per zondag of feestdag (Kerst, Pasen…). Voorbeelden: Introitus (intocht), Graduale, Alleluia, Offertorium en Communio.
Verschil in één zin: ordinarium = vaste tekst, elke mis hetzelfde · proprium = wisselende tekst, afhankelijk van de dag.
Ezelsbruggetje voor de volgorde
Kale Grijze Cavia’s Snurken Altijd
Kyrie · Gloria · Credo · Sanctus (Benedictus) · Agnus Dei
Responsoriaal en antifonaal gezang
Responsoriaal
Een solist (voorzanger) zingt afwisselend met een koor(groep). De groep geeft antwoord: de respons.
Antifonaal
Twee koorgroepen zingen om de beurt, alsof ze elkaar beantwoorden. In kloosterkerken stonden ze vaak tegenover elkaar.
De estampie
De estampie is een instrumentale middeleeuwse dans. Kenmerken:
- Tempo varieert van zeer langzaam tot zeer snel.
- Maat kan zowel twee- als driedelig zijn.
- Opbouw in zinnen die iets gewijzigd herhaald worden: a a′ b b′ c c′ enz.
- Elke zin wordt eerst gespeeld met een ouvert (open einde, klinkt als een ‘vraag’) en daarna met een clos (gesloten einde op de grondtoon, het ‘antwoord’).
- Herkenbaar aan een eenstemmige melodie met bourdonbegeleiding of een ritmische begeleiding, gespeeld op middeleeuwse instrumenten.
Kerktoonladders (modi)
Kerktoonladders hebben een andere volgorde van hele en halve toonafstanden dan majeur en mineur. De gouden boogjes geven de halve afstanden aan. Handig: elke modus speel je op de piano met alleen witte toetsen, vanaf een andere begintoon.
Overzicht
| Modus | Witte toetsen | Halve afstanden | Karakter |
|---|---|---|---|
| Dorisch | D – D | 2–3 en 6–7 | Mineur (kleine terts) |
| Frygisch | E – E | 1–2 en 5–6 | Mineur, verlaagde 2e trap |
| Lydisch | F – F | 4–5 en 7–8 | Majeur, verhoogde 4e trap |
| Mixolydisch | G – G | 3–4 en 6–7 | Majeur, verlaagde 7e trap |
Uitlegvideo: toonladders
Uitlegvideo van je docent in Teams. Log in met je schoolaccount om hem te bekijken.
Hoe werken de instrumenten?
Voor het VWO moet je weten hoe een instrument klinkt en werkt. Let vooral op de bourdon bij de doedelzak en de draailier.
Begrippenlijst VWO
VWO kennischeck
Pittige analyse- en herkenningsvragen: modi bepalen, misdelen, vormkenmerken en instrumenten.
Reine kwart, reine kwint en rein octaaf
Precies de intervallen waarmee de middeleeuwse meerstemmigheid begon: het parallel organum en de bourdon gebruiken deze ‘hemelse’ reine samenklanken. Leer ze herkennen op schrift én op gehoor.
Op de piano
Grondtoon:De gouden ½-labels onder de toetsen laten zien waar tussen twee witte toetsen geen zwarte toets zit: tussen E–F en B–C is de afstand een halve toon. Klik op een toets om hem te horen.
Tellen: zo vind je het interval
- Tel de stamtonen, inclusief begin- en eindtoon. C-D-E-F = 4 tonen → kwart (‘vierde’). C-D-E-F-G = 5 → kwint (‘vijfde’). C t/m C′ = 8 → octaaf (‘achtste’).
- Controleer de toonafstand: reine kwart = 2½ toon, reine kwint = 3½ toon, rein octaaf = 6 tonen. Let op de halve tonen E–F en B–C!
Waarom heten ze ‘rein’?
Van kwart, kwint en octaaf bestaat geen ‘grote’ of ‘kleine’ versie, alleen een reine. De tonen versmelten heel goed omdat hun trillingsgetallen een eenvoudige verhouding hebben: octaaf 2 : 1, kwint 3 : 2, kwart 4 : 3. Vandaar dat men ze in de middeleeuwen als hemelse klanken ervoer.
Rekenvoorbeeld: A = 440 Hz → kwint hoger E = 660 Hz → octaaf hoger A′ = 880 Hz.
Uitlegvideo: intervallen
Uitlegvideo van je docent in Teams. Log in met je schoolaccount om hem te bekijken.
Score: op gehoor
Luistertips
- Octaaf: de twee tonen klinken bijna als dezelfde toon, alleen hoger/lager. Harmonisch smelten ze bijna samen.
- Kwint: klinkt hol, leeg en krachtig, net als de bourdon onder een estampie of een powerchord in rock. Stijgend: ‘Altijd is Kortjakje ziek’.
- Kwart: klinkt als een begin, een oproep, bijvoorbeeld het begin van het Wilhelmus (‘Wil-hel-mus’).
Score: op schrift
Lees-tips
- Kwart: lijn → tussenruimte (of andersom), met 1 lijn/ruimte ertussen overgeslagen.
- Kwint: lijn → lijn (één lijn ertussen) of ruimte → ruimte (één ruimte ertussen).
- Octaaf: zelfde notennaam; lijn ↔ ruimte, ver uit elkaar (7 stappen).
Flashcards & zelftest
Kies een stapel. Bij Flashcards draai je de kaart om en geef je aan of je het begrip al kent; kaarten die je nog niet kent komen terug. Bij Zelftest kies je het juiste begrip bij een omschrijving.